Oorlogsverhalen

De vrouw en zoon van meneer F.
De vrouw en zoon van meneer F.

Huishoudelijk werk

Als 4 en 5 mei in aantocht zijn, denk ik altijd aan meneer F. (Antwerpen 1910 – Amsterdam 2004). En vooral aan zijn verhalen die hij mij ’s morgens vroeg vertelde.

Het moet 1990 zijn geweest. Ik studeerde kunstgeschiedenis in Amsterdam en had een kamer in de Vrolikstraat. In het studentenkrantje las ik een advertentie, waarin studenten werden gevraagd voor huishoudelijk werk. Op de een of andere manier trok mij dat meer dan de horeca, dus ik meldde mij, voerde een soort sollicitatiegesprek en al snel werd ik gebeld dat ik terecht kon bij meneer F. Hij had Auschwitz overleefd, werd daarbij gezegd. Ik slikte en wist niet of ik dat wel wilde. Het klonk zo zwaar. Maar, bezwoer men mij, het was een heel aardige man.

Thee

Elke vrijdag fietste ik naar zijn huis in Diemen. We begonnen altijd met een kopje thee aan zijn eettafel, waar hij direct begon te vertellen. Ik voelde me dan schuldig; ik moest hier toch aan de slag? Dat huis moest toch schoon? Maar hij bleef zitten en wilde zijn verhaal kwijt. Zijn vrouw was kort daarvoor gestorven. Hij vertelde me over haar, hoe hij haar had ontmoet in een concentratiekamp en hoe ze elkaar na de oorlog weer terugzagen en waren getrouwd. Ze vonden elkaar in hun verdriet. Maar ook in hun strijd om de oorlog nooit te vergeten. Zij waren de mede-oprichters van het Nederlands Auschwitz Comité.

Onderduikadres

Zijn eerste vrouw had hij toen al lang verloren. Zij had de oorlog niet overleefd en was overleden in Birkenau. Zijn zoon, die precies twee werd op de dag dat zijn vader uit huis werd gehaald (in 1943), heeft de oorlog wel overleefd, dankzij zijn onderduikgezin in Hoensbroek. Meneer F. had in kamp Vught, waar hij zag hoe slecht de kinderen eraan toe waren, een briefje naar buiten weten te smokkelen waarin hij zijn vrouw dringend aanspoorde een onderduikadres voor hun jongetje te regelen.

Bulletins

Meneer F. zat vol verhalen en altijd als ik zijn huis had schoon gemaakt, keerde ik met die levende getuigenissen terug. Hij gaf mij Auschwitz Bulletins mee, waarin verhalen over de oorlog stonden die hij had geschreven. Ik was diep onder de indruk over de oorlog die voor mij opeens begon te leven en wist niet zoveel te zeggen over de onbevattelijke ellende die hem was overkomen en die hij met soms alledaagse details beschreef. Ik herinner me een verhaal over de treinreis van Westerbork naar Auschwitz. Hij zag zijn vrouw toen na lange tijd terug en samen zaten ze op transport richting Polen. Ondanks alle ontberingen blij dat ze weer samen waren. In een veewagen. Het waren maar vijf dagen. Hun laatste vijf dagen.

Lol

Mijn belangrijkste taak daar was dus niet schoonmaken, maar luisteren. Luisteren naar deze man, die altijd voorover gebogen aan tafel zijn verhalen vertelde. En me verbitterd bezwoer hoe grappig hij was. En hoeveel lol hij altijd had in het leven. Voor de oorlog dan. Achteraf realiseer ik me dat hij al die ochtenden wel zijn hele leven heeft verteld. Dat hij geboren was in Antwerpen, in een familie van diamantbewerkers. Zijn gereedschap was te bewonderen in het Joods Historisch Museum, vertelde hij. Dat heb ik later inderdaad zien liggen.

Hij vertelde over het kampleven. Over Vught, Westerbork, Auschwitz. Dat laatste kamp overleefde hij omdat hij ook de eetkamer van de Duitsers moest opruimen en de kruimels van de vloer at. Waarschijnlijk heeft hij de ergste dingen niet verteld; die las ik dan thuis in zijn verhalen op mijn kamertje. En een week later bracht ik zijn blaadjes weer terug en zei dat ik zijn verhalen goed vond. Daar was hij dan blij mee. Voor mij gaf hij Auschwitz een gezicht. Hij was een mens achter het onbegrijpelijke getal van zes miljoen.

Huis

Ik weet nog hoe ongelooflijk ik het vond om te horen, dat hij terugkwam in Amsterdam. Doodziek, uitgeput en niet wetend of zijn vrouw en zoon nog leefden. Hij kreeg zijn huis in de Transvaalbuurt niet terug, vertelde hij. Dat hadden anderen zich toegeëigend. Niemand die daar iets aan deed. Hij had de hel overleefd en kwam in een andere terecht. Die van onbegrip, armoede en eenzaamheid. Zijn zoon vond hij met hulp van zijn zwager terug in Zuid-Limburg, maar die was zo jong toen hij werd ondergebracht op zijn onderduikadres, dat hij zijn vader niet herkende.

Begin mei denk ik altijd aan deze man, die toen 80 moest zijn geweest en de oorlog ruimschoots had overleefd. Ik weet nog dat hij zei dat hij mei altijd zo’n zware tijd vond. ‘Al die herdenkingen,’ zei hij dan. Op het journaal zag ik hem bij het Auschwitz monument voorbij schuifelen. Elk jaar stond die broze man weer vooraan, met zijn petje op zijn gebogen hoofd. De herdenkingen brachten voor hem elk jaar weer zo pijnlijk de oorlog naar boven. Maar vergeten – dat mocht natuurlijk niet. Nooit. Daarom vertelde hij zijn verhalen. Elke week weer.

(Op verzoek van de instelling waarvoor ik destijds werkte, heb ik de namen die ik eerder wel noemde, verwijderd en heb ik de man voor wie ik werkte ‘meneer F.’ genoemd.)

 

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *